Mijn naam is Ayol. Ik hoor tot de tweede sib van de stam van Bronvus. In onze sib leven 4 families. Alles met elkaar zijn dat 28 mensen. De oudste is mijn grootmoeder. Zij is erg oud, al 47 zomers. De jongste is mijn eigen kind Brag. Hij is mijn jongste kind van een paar maanden. Zelf ben ik 17 zomers. Brag is de enige zoon van mijn tweede vrouw. Mijn moeder stierf toen ik werd geboren. Omdat mijn vader is omgekomen bij de jacht ben ik nu al één van de jagers van onze sib. Als ik terugkom van de jacht willen mijn vrouwen en kinderen meteen weten wat we gevangen hebben. Ze lijken altijd wel honger te hebben.

Als het vlees en de bessen en knollen worden klaargemaakt maakt mijn oudste vrouw een portie klaar voor mijn grootmoeder. Eigenlijk kan ze niet zo goed meer kauwen. Daarom wordt haar eten wat langer gekookt en kauwt mijn vrouw het vóór. Ze zal wel niet lang meer leven. Ze heeft vaak pijnen. Ze heeft ook moeite met lopen. Daardoor kan ze ons haast niet bijhouden als we na een dag of tien verder trekken. Omdat ze oud is heeft iedereen respect voor haar. Ze is een wijze vrouw. Ze weet veel. Maar de sib moet niet de dupe worden van haar vele gebreken. Ze kan ook niet zo goed meer zien. Mijn vrouwen zorgen zo goed mogelijk voor haar, maar ze moeten ook heel veel andere dingen doen, waardoor er steeds minder tijd overblijft om haar te verzorgen. Het lijkt wel of ze steeds meer kwalen krijgt. Ze gaat ook meer stinken en dat lokt 's nachts wilde beesten naar ons kamp. De anderen in de sib moeten voor hun eigen familieleden zorgen. Zij hebben dus geen tijd om voor mijn grootmoeder te zorgen. Ik denk dat we haar over een paar dagen maar moeten achterlaten in het woud. Ik heb nog de van berenhuid gemaakte warme mantel van mijn vader. Die zal ik haar dan geven. En wat bessen en zachte kruiden. Die kan ze eten op haar laatste tocht.  Ze zegt, dat ze best begrijpt dat we geen tijd en mogelijkheid meer voor haar hebben. Ik zei toch al dat een wijze vrouw is. Het is jammer als we haar moeten missen.
± 5000 v. Chr.

Mijn naam is Arthur. Ik ben afdelingshoofd in een grote fabriek. Mijn vrouw is doktersassistente. We zijn alle twee 49 jaar oud. We hebben 3 kinderen (14, 17 en 19 jaar oud). We hebben een grote auto, maar ook een grote hypotheek. Mijn moeder en schoonouders leven ook nog. Mijn schoonouders wonen dichtbij hun zoon, in Nieuw-Zeeland. Mijn moeder is al oud, 79 jaar. Ze woont nog op zichzelf, een paar straten bij ons vandaan. Omdat ze heel slecht ziet en een beetje doof is, en ook veel pijn en last heeft van haar reumatiek, komt ze niet veel meer de deur uit. Vooral mijn vrouw, maar de kinderen en ik ook, gaan regelmatig naar haar toe om haar te helpen en te verzorgen. Ze heeft ook een klein beetje thuishulp. Niet veel, want bij de indicatie werd aangegeven dat wij daar maar voor moesten zorgen.

Mijn vrouw heeft geprobeerd via moeder een PGB aan te vragen om meer voor mijn moeder te kunnen zorgen. Zo maar een paar uren per week minder gaan werken kunnen we ons namelijk niet veroorloven. Maar bij de gemeente zagen ze het nut daar niet van in. Kennelijk hoort onze gemeente niet bij de 7 % van de gemeenten die volgens de MEZZO voldoende mantelzorgondersteuning en -aandacht geven. Dat is jammer, want omdat mijn moeder achteruit gaat en door haar incontinentie zelfs af en toe gaat stinken, zou ze best wat meer zorg moeten hebben. Wij hebben haast geen tijd meer over en de buren van moeder zijn ook oud. Hoe we dit nu moeten oplossen weet ik niet meer. Het is misschien het beste om haar ergens  in een verpleeghuis te laten opnemen, hoewel dat nog veel meer gaat kosten voor de gemeenschap en niet bij ons in de buurt is. Zelf zegt ze dat ze liever thuis in haar eigen buurt zou blijven, maar ze zegt ook dat ze het best wel begrijpt dat wij tijd te kort komen om goed voor haar te kunnen zorgen. Het is een lieve en wijze vrouw. Het zou heel jammer zijn als we haar niet meer elke dag kunnen bezoeken en helpen.
2011 n. Chr.

Ard v.d.B.